Het grootste ‘levende’ stuifzandgebied


De Soester Duinen is een 'levend' stuifzandgebied dat op de noordwest-flank van de Utrechtse Heuvelrug ligt. Dwars erdoorheen liep in het verleden een pad dat de verbinding vormde tussen Soest en Soesterberg. Toen dat pad de verharde Soesterbergsestraat werd, zorgde het voor een definitieve verdeling van het gebied in de Lange Duinen, het grootste deel, en de Korte Duinen.

In 1997 is het uitgestrekte stuifzandgebied door de provincie Utrecht aangewezen als aardkundig monument. De reden daarvoor is dat de ontstaansgeschiedenis van het gebied nog altijd duidelijk zichtbaar is in het landschap.

Wat is een aardkundig monument?

Een aardkundig monument is een gebied of een landschap waarin nog goed te zien is hoe de ontstaansontwikkeling is verlopen. Die ontwikkeling is, in de vormen van heuvels, laagten en zandverstuivingen in het landschap, vaak tot honderden of zelfs duizenden jaren terug te herleiden.

Met de benoeming van een landschap tot aardkundig monument, wordt nadrukkelijk de aandacht gevraagd voor het belang en behoud van zo'n uniek gebied.

IJstijd

Bij de Soester Duinen staat de zandvlakte centraal. Hoe is al dat zand daar eigenlijk gekomen?

In de Saale-ijstijd, van circa 200.000 tot 120.000 jaar geleden, was er een beweging van landijs vanuit Scandinavië richting Nederland. Langs de randen van de ijsmassa werd de ondergrond omhoog gedrukt. Zo ontstond onder andere de Utrechtse Heuvelrug.

In de beginperiode kwam de gemiddelde jaartemperatuur niet boven het vriespunt uit. Er groeiden weinig planten en heel Nederland oogde als een poolwoestijn waar de wind vrij spel had. Het door die wind meegevoerde zand, was voornamelijk afkomstig uit het Noordzeebekken dat toen nog droog lag. Het nestelde zich tegen natuurlijke obstakels zoals de Utrechtse Heuvelrug. Als een deklaag verborg dit zand het onderliggende landschap en daarom spreekt men hierbij vaak over 'dekzand'.

Landbouwers

Na de ijstijd steeg de temperatuur weer langzaam. In relatief korte tijd was het hele gebied van de Utrechtse Heuvelrug bedekt met bos. Toen de eerste landbouwers zich in het gebied vestigden, verdwenen die bossen om plaats te maken voor akkers. Het stuifzand dat onder de wortellaag van de bomen lag verstopt, kwam daardoor op sommige plaatsen weer tevoorschijn. Zo ontstonden weer nieuwe zandverstuivingen.

Het zand van de Lange en Korte Duinen stuift nog tot op de dag van vandaag en dat stuifzand vormt de basis voor een uniek en dynamisch natuurgebied. In de grote zandvlakte zijn hier en daar beschermde jeneverbesstruiken te vinden en groeien alleenstaande vliegdennen. In de lager gelegen delen groeien mossen en andere vochtminnende planten. Soms vormen zich kleine vennen waar veel vogels op afkomen. En aan de randen van de zandvlakte ligt bos; zowel loof- als naaldbos. In die bossen woont al enige tijd een grote groep ransuilen.

Ingrijpen

Menselijk ingrijpen in de zandduinen is nodig om het gebied te behouden. Doet de mens niets, dan komen als de eerste pioniers op het zand in de vorm van grassen, mossen en algen. Die zorgen ervoor dat het zand niet meer verstuift, waardoor andere kiemplanten kans krijgen zich te vestigen. Als eerste komen er dan heideplanten en de pijnbomen volgen snel. Daarna volgen berken en als laatste eiken. Zonder ingrijpen kan een zandvlakte zo binnen vijf tot tien jaar uitgroeien tot een jong bos.

| | fav
Kennis Kennis
Natuur Natuur
Water Water

vitens