In beide gevallen is er sprake van wisselende waterstanden afhankelijk van de weersomstandigheden en de doorlatendheid van de ondergrond. Door die wisselende waterstanden krijgt een slenk constant te maken met erosiemateriaal wat vaak een gunstige invloed heeft op de variatie aan flora en fauna.
Veel natuurlijke slenken zijn door de jaren heen afgesloten door dijken en sluizen. Natuurinstanties proberen deze afsluitingen weer te openen, uiteraard zonder dat de veiligheid daarbij in het geding komt.

Terschelling kent diverse slenken die in open verbinding staan met de zee. Dat zijn plaatsen waar zoet water en zout water – een mengeling die als brak water wordt aangeduid – met elkaar in aanraking komen. Er is de blauwe slenk en ook bestaan de eerste, de tweede, de derde en de vierde slenk.
In die overgangen van zoet naar zout water leeft een bijzondere diversiteit aan dieren en planten. De brakke zeearmen zijn paaigebieden van onder andere haring, ansjovis en spiering. Maar het zijn ook de gebieden waar paling, steur en fint in de voorjaarsmaanden doorheen trekken.
Ook groeien er in de brakwatergebieden specifieke planten als de zeebies en leeft er het voedsel voor garnalen en jonge platvis. Overgangen tussen zoet en zout water vormen daarom essentiële schakels in verschillende voedselketens. Onmisbare schakels tussen zee en land.