'Daar komt ie!'. Met een kreet als deze worden de omstanders én medespelers bij het klootschieten gewaarschuwd nog voordat de kloot 'geschoten' wordt. Zo voorkomt men eventuele ongelukken. Omstanders en medespelers kunnen zo ook meteen meekijken waar de kloot terecht komt.
Klootschieten is een sport die tegenwoordig vooral nog in het oostelijk deel van Nederland wordt gespeeld. Vroeger was het een sport voor heel Nederland.
De eerste meldingen van klootschieten komen uit de 14de eeuw – in 1392 vond de opening van de eerste klootschietbaan plaats – en rond 1500 was de sport in heel Nederland populair.
Klootschieten wordt beoefend met een kloot. Dit is een houten bal die met lood is verzwaard. Tegenwoordig is het hout vaak door kunststof vervangen. Afhankelijk van de spelkeuze zijn er verschillende kloten, zowel in omvang als in gewicht.
Klootschieten lijkt enigszins op het 'moderne' golf. Er wordt naar een vooraf afgesproken plek 'gekloot' waarbij het er vooral om gaat om de afstand met zo min mogelijk worpen af te leggen. Het doel is dus om steeds zover mogelijk te gooien.
Dat gebeurt meestal onderhands door met de arm een zwaai van ongeveer 180° te maken. In sommige streken van Twente hanteert men de slingerworp.
Gooien met een aanloop mag maar het belangrijkste blijft de richting en de kracht die aan een worp wordt meegegeven. De veldkloot heeft een diameter tussen de 7 en 8 centimeter maar kan afwijken naargelang de voorkeur van de klootschieter
Het spel kent drie hoofdonderdelen; veld, straat en zetten.
Bij het onderdeel veld gaat het erom, alleen of in teamverband, een parcours in zo weinig mogelijk worpen af te leggen. Dat parcours is meestal bochtig en glooiend waardoor het gooien altijd enig tactisch inzicht vraagt.
Bij het spelen in teamverband is er sprake van een vastgesteld team (meestal van 5 of 6 personen) en een vastgesteld aantal worpen per schutter (meestal 6). Diegene die na het vastgestelde aantal worpen het verst ligt, krijgt een punt.
Vaak bevinden zich op het veld keerpunten. Wanneer de teams zo'n keerpunt zijn gepasseerd, draaien ze terug naar waar ze vandaan kwamen. Dat draaien gebeurt altijd 'gespiegeld' zodat het team dat voorligt, ook voorblijft.
Bij het onderdeel straat gelden ongeveer dezelfde regels. Het parcours is dan echter een (verharde) weg en de kloot is zwaarder.
Het is belangrijk bij het werpen om de kloot op het midden van de weg te houden. Bij een bocht zal een behendige speler iets uit het midden werpen zodat de kloot vanzelf de bocht volgt.
Vaak zijn plattelandswegen wat bol waardoor de kloot in de berm terecht kan komen en dan meteen aan vaart verliest. Raakt de kloot van de weg, dan mag hij op dezelfde plek op het asfalt worden gelegd om verder te spelen. Uiteraard belanden er geregeld kloten in de sloot maar daarvoor heeft elke speler een schepnet bij zich.
Bij het onderdeel zetten gaat het erom de kloot zover mogelijk door de lucht te gooien. Hier zijn de kloten veel kleiner. Anders dan de veld- en straatvariant, waar de uitrol van de worp meetelt, eindigt de worp bij de zetvariant op het punt waar de kloot de grond raakt. Het wereldrecord staat momenteel op naam van Stefan Albarus van FKV – de Friesische Klootschießer Verband – met een worp van maar liefst 105,60 meter.
De NKB – Nederlandse Klootschietersbond – kent een eigen website met volop informatie. Daar lees je bijvoorbeeld alles over de wereldkampioenschappen klootschieten. Voor wie geïnteresseerd is: www.klootschieten.com