Een boswachter kijkt wat er allemaal in zijn gebied leeft, groeit en bloeit. Eigenlijk is het dus heel logisch dat hij zijn gebied goed kent. Hij telt het aantal plant en diersoorten. En hij houdt maanden en soms jaren de veranderingen bij om te kijken wat het effect van sommige aanpassingen is.
De boswachter is er ook om het gebied bij te houden. Bomen en struiken moeten gesnoeid worden, omdat ze anders over fietspaden heen groeien. Op deze manier blijven de bomen en struiken in vorm en worden ze niet te groot. Ook markeert de boswachter met een blesmes of spuitbus de bomen die gekapt moeten worden. De bosarbeider zaagt ze vervolgens om.
Omdat geen natuurgebied hetzelfde is, is de rest van het werk van een boswachter overal anders. Natuurgebieden zijn namelijk verschillend en de werkgevers ook. Voor de ene werkgever is het belangrijk dat de boswachter voorlichting geeft. De andere werkgever wil vooral dat er wordt gezorgd dat de mensen niet van de paden gaan. Hij let er dan op dat iedereen zich aan de regels houdt. De boswachter mag zelfs een bon uitschrijven als dat niet wordt gedaan.