De naam kiekendief is een verbastering van het woord kuikendief. De roofvogel voedt zich elk voorjaar simpelweg door vogelnesten leeg te roven. De wetenschappelijk naam van deze vogel is Circus wat verwijst naar de cirkelvormige bewegingen die de vogels tijdens de balts uitvoeren. Kenmerkend voor de kiekendief is dat deze roofvogel, anders dan andere roofvogels, het nest bijna altijd op de grond maakt. Een kiekendief is ook vrijwel altijd in open gebieden aan te treffen. In Nederland zijn de bruine kiekendief, de blauwe kiekendief en de grauwe kiekendief geregeld waar te nemen als broedvogel. De tien andere soorten die nog bekend zijn, komen vooral voor in de zuidelijke landen.
Op Terschelling leven vooral bruine kiekendieven en zie je soms de zeldzame, op de Nederlandse rode lijst voorkomende, blauwe kiekendief. De bruine kiekendief (Circus aeruginosus) nestelt vooral in dicht begroeid rietveld. Hij heeft zijn bruine verenkleed daarop aangepast zodat een broedende bruine kiekendief vrijwel onvindbaar is. Een volwassen vogel is circa 50 cm groot en in de vlucht herkenbaar aan de voor alle kiekendieven karakteristieke golvende beweging. De blauwe kiekendief (Circus cyaneus) is slechts enkele centimeters kleiner en volwassen vogels vallen op met hun blauwgrijze verenkleed. Om veilig te kunnen broeden, veilig uit de buurt van met name vossen, broedt de blauwe kiekendief vaak tussen hoge plantengroei.
Behalve kiekendieven zijn op Terschelling nog andere roofvogels te zien. Er vliegen torenvalken, buizerds, ransuilen en op de toren van de Brandaris zit slechts één slechtvalk. Wie vanaf de vogelwachtershut over het uitgestrekte water tuurt, kan met wat geluk een visarend of zeearend zien.