Wie een slang in de vrije natuur wil tegenkomen, hoeft daarvoor zeker geen vliegticket te kopen en naar de tropen af te reizen want ook in Nederland kruipen hier en daar van deze, voor velen angstaanjagende dieren rond.
Ringslangen zijn groot. Volwassen exemplaren meten soms wel 1,75 meter. Toch blijven ze meestal iets bescheidener van lengte en is een slang van 1 meter al heel wat. Het zijn overigens vooral de vrouwtjes die flinke lengtes halen.
De ringslang is te herkennen aan een egaal gekleurde bovenzijde. Soms is die grijs tot grijsbruin, soms is er sprake van een iets groene of blauwe gloed. Wat meteen in het oog springt zijn de twee gele tot witte vlekken aan de achterkant van de kop. Daaraan is een ringslang het eenvoudigst te herkennen. Soms komen die vlekken samen waardoor het lijkt alsof ze een ring vormen. Daar komt dus de naam van de slang vandaan.
Een ringslang is te vinden in de nabijheid van water. Soms op de oever en vaak ook in het water want zwemmen is zijn specialiteit. Wie op een zonnige dag voorzichtig de wateroevers afstruint, kan daar met wat geluk een zonnebadende ringslang aantreffen. Zodra de koudbloedige ringslang 's ochtends zijn schuilplaats verlaat, neemt hij een zonnebad. Door op te warmen, versnelt zowel zijn spijsvertering als motoriek.
Ringslangen leven voornamelijk van visjes en kikkers; soms is een salamander het slachtoffer. Ook al kom je een ringslang niet zomaar tegen, toch leven er in Nederland nog vrij grote aantallen op plaatsen verdeeld over het land. De ringslang is ongevaarlijk voor de mens en niet giftig. Het is ook een rustige slang die slechts zelden bijt._in_aanvalshouding.jpg)
De adder is kleiner dan de ringslang. De gemiddelde lengte bedraagt 50 tot 70 cm. De adder, soms ook gewone adder genoemd, ziet er duidelijk anders uit. De rug is bruin tot grijs met bovenop een donkere, bijna zwarte, zigzagband. Aan weerszijden van die band bevindt zich nog een rij eveneens donkere vlekken.
Wie een adder recht in de ogen kijkt, ziet het meest duidelijke kenmerk; de ogen hebben een verticale pupil en bieden een 'fronsende' blik vanwege de schubben die net boven de ogen uitsteken.
Vooral heide- en veengebieden zijn plaatsen waar de adder graag leeft en dan liefst in de buurt van water met voldoende schuilplaatsen. Graag verstopt het dier zich onder dichte vegetatie waar hij zich makkelijk kan verplaatsen of zoekt hij een rustplaats onder een boomstronk. Ook het hol van een ander dier kan uitnodigend genoeg zijn.
Veel meer dan de ringslang is de adder een landslang. Toch is ook hij een uitstekende zwemmer. Zonder problemen steekt hij rivieren en meren over.
Op zijn menu staan kikkers en hagedissen en soms vangt hij een jonge vogel. De slang wordt vooral gewaardeerd omdat hij ook plaagdieren als muizen en jonge konijntjes verorbert.
De adder is de enige giftige slang in Nederland maar de giftigheid wordt vaak overschat. Bij een beet spuit de slang niet altijd meteen gif in. Soms is sprake van een 'droge' beet, puur om af te schrikken. Bijt de slang door dan is dat alleen gevaarlijk als het gif direct in de slagader terecht komt en dan zijn vooral jonge kinderen, ouderen en personen bij wie de conditie slechts is, kwetsbaar.
Vaak is een beet het gevolg van een poging het dier op te pakken. Het oppakken van een adder is, net als het oppakken van andere slangen in Nederland, strafbaar!
De gladde slang is de derde in Nederland voorkomende slang. Het dier haalt maximaal 80 cm lengte en heeft een egale goudbruine bovenzijde met twee of vier rijen donkere vlekken op beide rugzijdes. De slang is van de andere Nederlandse slangen te onderscheiden door de gladde huid; de schubben hebben geen opstaande rand. Daaraan heeft deze slang zijn Nederlandse naam te danken.
De gladde slang leeft graag in heidevelden en langs bosranden en dan liefst in gebieden waar de vegetatie gevarieerd is met hier en daar een open stuk waar de slang kan zonnen. Om te schuilen maakt hij gebruik van holtes onder rotsen of boomstronken.
In sommige gebieden komt de gladde slang algemener voor dan de ringslang maar vanwege zijn verborgen levenswijze is de gladde slang moeilijker waar te nemen. Alles wat binnen zijn leefgebied verandert, maakt de gladde slang onrustig en daarom verstopt hij zich het liefst ver weg in stille natuurgebieden.
De gladde slang eet hagedissen en hazelwormen. Soms vangt hij voor de afwisseling een jonge muis of een groot insect.