De metropool van de rode bosmier


Wie door het gebied van de Wezepsche Heide loopt, komt gegarandeerd af en toe enorme mierenhopen tegen. Soms tot wel 2 meter hoogte.

Het zijn de woon- en werkplaatsen van de rode bosmier. Helemaal gebouwd van dennennaalden, takjes en dorre blaadjes.

 

Wat is een mier?

Om te beginnen: wat is een mier? Een mier is een sociaal en kolonievormend insect waarvan verschillende soorten over de gehele wereld voorkomen. Alleen op Antarctica is geen mier te vinden.

De mier is nauw verwant aan de wesp, om preciezer te zijn: hij stamt af van de gravende wespensoorten waarvan de werksters hun vleugels gedurende de evolutie hebben afgestoten. Wie goed naar een mier en een wesp kijkt, ziet duidelijke overeenkomsten in de bouw van hun lichamen.

Koningin

Omdat mieren in kolonies wonen, hebben hun nesten vaak een behoorlijke omvang en zijn ze van grote afstand te zien. Overigens kunnen die nesten uiteenlopende vormen aannemen. Sommige mieren maken hun nest in de bodem, andere in een holle boom of rotsspleet.

Elke mierenkolonie telt naast één koningin – bij een enkele mierensoort kunnen dat er meer zijn – veel mannetjes en veel werksters. Een mierenvolk heeft soms uit wel 700.000 werksters. De grootste groep is die van de werksters die hun werktaken onderling verdelen. Zo heb je binnen de groep werksters onder andere verkenners, voedselverzamelaars, nestonderhouders, kinderverzorgsters en soldaten.

Uitvliegen

Is een nest eenmaal aardig bewoond en ligt overbevolking op de loer, dan wordt een lichting van de opgroeiende larven opgekweekt tot mannetjes en koninginnen. Wanneer de tijd daar rijp voor is, vliegen ze samen uit. In Nederland gebeurt dit vaak op warme, broeierige dagen na een regenbui.

In de lucht paren de mannetjes met de koninginnen, waarna de mannetjes vrijwel meteen sterven en de koninginnen een nieuwe nestplaats zoeken. Dit doen ze vanuit de lucht. Zo kan een koningin zomaar een nieuw nest beginnen in een bloembak op de tiende etage van een flatgebouw.

Mierenzuur

Rode bosmieren zijn relatief grote mieren die flink kunnen bijten. Om zich te verweren spuiten ze ook mierenzuur in de richting van hun vijand. Soms tot wel een halve meter ver!

Zoals alle mieren houden ook rode bosmieren van de zon. In het vroege voorjaar zoeken ze al snel de eerste zonnestralen op. Zijn ze eenmaal opgewarmd dan kruipen ze weer naar binnen. Met hun lichaamswarmte warmen ze het nest uiteindelijk op tot soms wel 25°C.

Door die opwarming van het nest gaat de koningin zich concentreren op het leggen van eieren. En ook de larven die uit de eieren komen, voelen zich lekker bij de hoge temperaturen en groeien voorspoedig.

Oorlog

Het voedsel en het nestmateriaal – soms 400 keer zo zwaar als de mier zelf – halen de mieren uit een kring van een paar honderd meter rond het nest. Ze vinden hun weg terug door de zonnestand goed in de gaten te houden.

 

Bosmieren zijn flinke rovers. Een groot nest kan per dag tienduizenden insecten en spinnetjes vangen. Als het voedsel schaars is – de mieren eten vooral rupsen, kevers en spinnen – dan wordt er oorlog gevoerd met de buurnesten in de hoop daar voedsel te vinden. Behalve jagers zijn bosmieren ook veehouders. Hun vee bestaat uit bladluizen. Die hebben een zoete ontlasting die honingdauw heet en mieren zijn er dol op. Bosmieren zijn dus echte luizenmelkers.

| | fav

vitens