Elf soorten kikkers en padden in Nederland


In totaal zijn er maar liefst 5500 verschillende kikkersoorten en van alle amfibieën heeft dit dier het grootste verspreidingsgebied. Wereldwijd zijn kikkers te vinden; zowel in de warme tropen, de sub-tropen als in de gematigde gebieden. Zelfs dichtbij de Noordpool hebben enkele kikkersoorten zich weten aan te passen aan de barre weersomstandigheden.

Enkel op Antarctica leven geen kikkers. Daar zijn echter wel fossiele resten van dit diertje gevonden.

Nederland telt momenteel elf inheemse soorten en één exoot.

Bruine kikker

De algemeen voorkomende bruine kikker is een van de bekendste soorten die in grote delen van Europa voorkomt. Het dier leeft als landdier in bos, heideveld en grasland op voorwaarde dat er vochtige plekken te vinden zijn waar hij zich overdag kan verschuilen. Pas tegen de avondschemer wordt het dier actief.

Voor de voortplanting is de kikker afhankelijk van ondiep stilstaand water. Het kikkerdril wordt afgezet in sloten en kleine poelen.

Meerkikker of grote groene kikker 

De meerkikker – de grootste inheemse kikker van Europa – is een plaatselijk algemeen voorkomende kikker. Meestal is het dier donkergroen tot grijs en heeft het donkere vlekken op de rug en flanken en drie duidelijke groene strepen op de rug. Aan de stevig ontwikkelde achterpoten zitten 'zwemvliezen'.

De meerkikker is een echte waterkikker. Het dier gaat nooit ver het land in maar blijft altijd bij zijn 'thuissloot'. Het is een echt groepsdier dat houdt van zonnen. Op zonnige dagen relaxen groepen meerkikkers vaak op door de zon beschenen oevers.

Bastaardkikker of middelste groene kikker

De algemeen voorkomende bastaardkikker is, de naam zegt het al, een natuurlijke kruising die zich echter zelfstandig kan voortplanten. De 'ouders' zijn de meerkikker en de poelkikker. De bastaardkikker is te herkenen aan de lichtgroene kleuren en de lichte streep op de rug.

De bastaardkikker blijft kleiner dan de meerkikker en is altijd dicht in de buurt van een waterbron te vinden. Het liefst kiest hij voor een waterbron in de zon, vaak bij een open plek in het bos of in een heideveld. Hebben ze het daar naar hun zin, dan kunnen ze er massaal voorkomen.

Heikikker

Een niet algemeen voorkomende bruine kikker die vooral in het oosten en zuiden van Nederland is te zien, is de heikikker. Het is een kwetsbare soort die op de rode lijst staat.

De heikikker heeft meestal een bruine kleur, vaak met vlekken op de rug en flanken.

Het belangrijkste verschil met de bruine kikker is de meer spitse snuit.

Heikikkers leven graag op waterrijke zonnige plekken waar ze zich ook voortplanten. Na mei is de voortplantingstijd voorbij en trekken de kikkers richting land. Alleen als het warm is, zoeken ze het water weer op.

Poelkikker of kleine groene kikker

De poelkikker is de kleinste van de drie soorten groene kikkers. Het is een vrij zeldzaam diertje dat voornamelijk in natuurgebieden voorkomt. Kenmerkend zijn de donkergroene rug met lichtere strepen en de lichtgroene flanken. Tijdens de paartijd zijn de mannetjes opvallend licht olijfgroen met groengele flanken.

De poelkikker leeft in poelen en vennen op zandgronden en in hoogveengebieden. Meestal worden sloten en rivieren gemeden. Tijdens de voortplantingstijd leven de dieren in en rond water en kwaken de mannetjes in koorverband op het bladerdek van waterplanten. Vanaf de vroege zomer gaat de kikker aan land.

Boomkikker

De familie van boomkikkers bestaat vooral uit (sub)tropische kikkers en in Nederland komt daarvan ook een soort voor. Deze zeldzame boomkikker is vooral duidelijk te herkennen aan zijn heldergroene kleur en de 'zuignappen' aan de tenen waarmee hij zich stevig aan gebladerte kan hechten. Ook zijn geringe omvang van slechts vier centimeter is opvallend.

De boomkikker leeft in bomen en hagen, liefst op zonnige plekken in relatief dicht begroeide en vrij vochtige omgevingen. Hij kiest vaak de omgeving van water want daarin legt het vrouwtje elk voorjaar haar eitjes.

Gewone pad of bruine pad

Van alle kikkers en padden van Europa behoort deze tot de grootste. Soms komen exemplaren van 15 cm voor. De kleur van deze algemeen voorkomende pad is bruin tot rood-achtig of grijs maar vanwege het grote verspreidingsgebied komt er veel variatie voor. Kenmerkend is verder het gedrongen lichaam en de ruwe, wrattige en droge huid.

Deze pad leeft, net als alle andere padden, het gehele jaar op het land en heeft zich aangepast aan drogere plaatsen. Overdag houdt hij zich vooral schuil in zelf gegraven holletjes of onder stenen en houtstronken. Tijdens de voortplantingsperiode trekt het dier naar het water. De padden ondernemen hiertoe ieder jaarlijks de zogenaamde paddentrek. De eitjes liggen, in tegenstelling tot veel andere kikkersoorten, niet in klompen maar in strengen.

Geelbuikvuurpad

Onmiskenbaar bij deze pad is natuurlijk de geelgevlekte buik. Aan de bovenkant is het dier onopvallend en variabel van kleur; geelbruin, bruin, olijfgroen of grijs. Die kleur kan per leefgebied verschillen. In Nederland is de geelbuikvuurpad zeer zeldzaam en hij wordt ernstig bedreigd. Momenteel komt de soort alleen nog in Zuid-Limburg voor.

De geelbuikvuurpad, maximaal 5 centimeter groot, mijdt permanente wateren en leeft liefst in tijdelijke kleine plasjes in bijvoorbeeld bospaden en in overstromingszones van beek- en rivierdalen. In deze relatief warme, ondiepe en niet-begroeide waterpartijen, planten de dieren zich voort. Daarna leeft de pad vooral op het land en verstopt zich daar overdag onder stenen, houtblokken en in struiken

Vroedmeesterpad

De zeldzame en beschermde vroedmeesterpad, van nature voorkomend in Limburg maar op verschillende andere plaatsen in het land uitgezet, heet zo omdat de mannelijke dieren snoeren met eitjes aan de achterpoten met zich meedragen. Door deze typische broedzorg wordt voorkomen dat rovers de eitjes opeten. Nadeel is wel dat het meestal maar om een beperkt aantal eitjes gaat. Dit in tegenstelling tot de soms wel honderden eitjes van de meeste andere kikkers en padden. Als de eitjes uitkomen, zoekt het vaderdier water om de larven daarin uit te zetten.

De tot 5 cm grote vroedmeesterpad heeft een wrattige huid en een gedrongen lichaam dat bruin tot bruingrijs van kleur is. Het diertje leeft veelal op het land en zoekt daarbij altijd een vochtige omgeving op.

Rugstreeppad

Die is duidelijk te herkennen aan de smalle gele streep over de bruinachtige rug. De rugstreeppad is streng beschermd, staat ook op de rode lijst, en komt steeds minder vaak voor omdat het potentiële leefgebied met name door verdroging en landschapsinrichting kleiner wordt.

Door zijn geringe omvang, goede schutkleur en nachtleven is het een vrij onopvallende soort die zich overdag verstopt onder stenen of in een zelf gegraven holletje. In de schemering komt het dier tevoorschijn om te gaan jagen. Liefst in kaal gebied. Tijdelijke poelen worden gebruikt als kraamkamer. Daar leven geen rovers en warmt het ondiepe water snel op. Nadeel is natuurlijk het gevaar van opdroging want dan sterven de nakomelingen.

Knoflookpad

Wie deze pad stoort of bedreigt, ruikt meteen het 'angstzweet' dat het dier verspreidt; het heeft dezelfde geur heeft als knoflook. Verder is het diertje herkenbaar aan het vlekkenpatroon op de rug dat precies op het midden van de rug ontbreekt waardoor het lijkt of daar een brede streep loopt. In Nederland komt de knoflookpad slechts sporadisch voor, voornamelijk in het oostelijk deel.

Door het jaar heen leeft de pad in zanderige streken en alleen tijdens het voortplantingseizoen trekt het naar ondiep water.

Wie een knoflookpad tegenkomt, ziet dat dier goed kan springen. Deze pad is ook een goede zwemmer en zijn specialisatie is graven. Achterwaarts graaft hij zich met gemak in 10 minuten tot 50 cm diep de grond in!

De exotische brulkikker

Tot slot de exotische brulkikker. Dit dier brult, soms wordt het vergeleken met de brul van een rund, en is tot 23 centimeter groot. Om een brulkikker kan niemand heen!

Van nature leeft de brulkikker die te herkennen is aan de oranje ogen, de groene rug en meestal witte, soms roodoranje buik, in het oostelijke en centrale deel van de Verenigde Staten. In Europa zijn vooral in Italië plaatsen bekend waar veel brulkikkers leven. In Nederland en België komen ze sporadisch voor, vaak ten nadele van de inheemse kikkers die de brulkikker als lekkernij zien. Net als jonge vogeltjes, hagedissen en kleine knaagdieren...

Gelijk met de stijgende belangstelling voor tuinvijvers, vanaf de jaren '80 van de vorige eeuw, steeg ook de belangstelling voor de brulkikker. De meeste werden ingevoerd als kikkervisje (met lengtes tot 16 cm!) zodat onwetende kopers amper een idee hadden van wat ze hadden aangeschaft.

Toen de kikkervisjes na een paar jaar een kikker werd, kregen sommige mensen spijt vanwege de geluidsoverlast én de ongelofelijke vraatzucht. Ze 'verhuisden' het dier naar sloten, vijvers en natuurlijke plassen.

Daar bleek de brulkikker zich wonderwel aan te passen aan het Nederlandse klimaat en er dreigde even een kleine 'natuurramp'. Om te voorkomen dat het tot een invasie van de brulkikker zou komen, is er sinds een aantal jaren een importverbod.

| | fav
Kennis Kennis
Natuur Natuur
Water Water

vitens