In de wintermaanden is de lepelaar te vinden aan de West-Afrikaanse kust. Daar geniet de vogel van het aangename klimaat en rust hij uit om bij de eerste voorjaarszonnestralen naar hun broedgebied te vertrekken. Die vogels die richting Nederland vliegen – de meeste blijven in de buurt van de Mediterrane landen –volgen een route over Marokko, Spanje en Frankrijk. De reis kent regelmatige tussenstops om vooral goed op kracht te blijven. Als de vogels in Nederland aankomen, begint namelijk meteen het broedseizoen.
Op afstand lijkt een lepelaar wat op een reiger of een ooievaar omdat ze dezelfde bouw en grootte hebben. Wie via de verrekijker kijkt, ziet echter al gauw de verschillen. Meest opvallend is de 'lepelbek'; de aan het uiteinde spatelvormig verbrede snavel. Ook opvallend is de lange kuif bij volwassen vogels. Die kuif heeft de vogel overigens alleen tijdens de zomermaanden.
Na lange tijd vrijwel geheel uit Nederland te zijn verdwenen, is de lepelaar tegenwoordig weer jaarlijks met circa duizend broedparen aanwezig. Vooral door de vele natuurbeschermingsmaatregelen komen de vogels hier weer graag naartoe.
Nederland is het meest noordelijke land van Europa waar lepelaars nog broeden. De vogels broeden vooral op de waddeneilanden en langs de randmeren van het IJsselmeer en bij voorkeur op slecht bereikbare, moerasachtige plaatsen waar rovers zoals de vos moeilijk toegang hebben. In de warme mediterrane landen zoekt de vogel met zijn nest de hoogte op.