Het zal menigeen verbazen dat in Nederland maar liefst 65 soorten libellen leven. Vergeleken met de ons omringende landen is dat veel, zeker gezien de bescheiden oppervlakte van ons land. Dat hier zo veel libellen rondvliegen, heeft uiteraard te maken met het feit dat Nederland een echt waterland is.
Libellen zijn onder te verdelen in twee groepen; de waterjuffers en de echte libellen.
Waterjuffers zijn slanke en meestal kleine libellen die gemakkelijk te herkennen zijn aan hunlangzame manier van vliegen. Een ander kenmerk is dat hun voor- en achtervleugels dezelfde vorm hebben. Waterjuffers heten daarom ook wel gelijkvleugeligen.
De echte libellen zijn veel robuuster. Ze vliegen snel en behendig en hebben een achtervleugel die breder is dan de voorvleugel.
Het leven van elke libel begint als larve. Die larve leeft in water en daaraan stelt hij hoge eisen. Als eerste wil zo'n larve natuurlijk voedselrijk water. Binnen een paar weken tijd moet hij zich verpoppen tot libel. Daarnaast heeft elke soort ook nog zijn eigen wensen wat betreft de zuurgraad, de waterdiepte en de temperatuur. Het mag dus duidelijk zijn dat water waarin veel libellenlarven leven, van hoge kwaliteit is.
Soms hebben volwassen libellensoorten nog aanvullende wensen. Sommige willen een beboste omgeving waarin ze op boomtakken kunnen uitrusten en schuilen. Andere willen liever een ruige oeverbeplanting die bijvoorbeeld dienst doet als uitkijkpost.
De aanwezigheid van libellen zegt dus behalve iets over de kwaliteit van het water ook iets over de kwaliteit en variatie van de omringende natuur.
De bescherming van libellenpopulaties ligt voor een groot gedeelte bij natuurbeheerders. De laatste jaren hebben zij grote successen geboekt. Stonden in 1998 nog 27 libellensoorten op de Rode Lijst van beschermende diersoorten, inmiddels komt een groot aantal daarvan alweer algemeen voor.
Het libellenbeheer is met eenvoudige ingrepen gunstig te beïnvloeden. Ook particulieren met een vijver in de tuin kunnen libellen aantrekken, als ze zich aan het volgende pakket van eisen houden:
-Schoon water dat op peil blijft.
Bij een te lage waterstand, in de winter bijvoorbeeld, kunnen de larven niet overwinteren. Ook een wisselende waterstand is ongunstig voor een evenwichtige oeverbeplanting.
-Een licht aflopende oeverrand.
Op zo'n licht glooiende oever groeit vaak een grote variatie aan planten en daar voelen veel libellen zich thuis. Ook de larven die uit het water kruipen vinden zo altijd een geschikte plant. Rechte beschoeiingen als overgang tussen water en land zijn dus ongeschikt.
-Geduld met oeverplanten.
Het wegmaaien van oeverbeplanting langs sloten en beken zorgt ervoor dat de libellen hun oriëntatiepunten kwijt zijn. Ook in de particuliere tuin moet het snoeien langs de waterkant zo min mogelijk gebeuren.
Glazenmaker en watersnuffel
Libellen hebben vaak opmerkelijke namen. Lantaarntje, rivierrombout, platbuik en viervlek zijn zomaar wat voorbeelden. Veel van die namen zijn te herleiden.
Van de paardenbijter bijvoorbeeld, dacht men vroeger dat deze ook werkelijk paarden beet. Maar niets is minder waar. Deze libel leeft van vliegen en dazen die vaak rond paarden zwermen.
De glazenmaker, zoals bijvoorbeeld de groene glazenmaker, heeft grote doorschijnende vleugels en heet zo omdat men vroeger de vergelijking maakte met de glaszetter die grote glasplaten op zijn rug droeg.
En de watersnuffel heet zo omdat hij vaak rakelings over het water scheert.